KLEUR

Primaire kleuren:
rood (magenta), blauw (cyaan) en geel (citroengeel);
Deze kleuren kun je niet mengen uit andere kleuren;
Met deze kleuren kun je bijna alle andere kleuren mengen.

Secundaire kleuren:
Als je twee primaire kleuren mengt krijg je een secundaire kleur;
oranje, groen en paars

Tertiaire kleuren:
Als je alle drie de primaire kleuren mengt
bruintinten, mosgroen, enz.

Verzadigde kleuren:
Alle kleuren die niet zijn gemengd met wit (verlicht), zwart (verdonkerd) of grijs.
Je noemt ze ook zuivere kleuren.

Onverzadigde kleuren:
Alle kleuren die zijn gemengd met wit, zwart of grijs. Wit, zwart en grijs zijn geen kleuren.

Kleurtoon:
Als je een kleur mengt met wit, zwart of grijs verandert de kleurtoon. Een toon zegt iets over hoe donker of licht een kleur is. De kleurtoon beïnvloed de kleurhelderheid.

Kleurverloop:
De verandering van een kleur.

Kleurenfamilie:
Verschillende kleurtonen samen (donkerrood en lichtrood) en
combinaties van kleuren die vlak bij elkaar liggen (rood, oranje en geel) en
verschillende kleurtinten (mosgroen, geelgroen, blauwgroen, grijsgroen, enz)

Complementair contrast:
Als je kleuren die tegenover elkaar staan in de kleurencirkel naast elkaar zet.
Door rood naast groen te zetten wordt het rood nog roder en het groen nog groener.

Kleur-tegen-kleurcontrast:
Als je verschillende verzadigde (zuivere) kleuren of in dezelfde mate onverzadigde kleuren naast elkaar gebruikt.

Warm-koudcontrast:
Als je warme en koude kleuren naast elkaar zet.
Warme kleuren zijn oranje, geel en rood. Koude kleuren zijn paars, blauw en groen.

Licht-donkercontrast:
Als je lichte en donkere kleuren naast elkaar zet.

Kwaliteitscontrast:
Als je verzadigde (zuivere) kleuren naast onverzadigde kleuren zet.

Kwantiteitscontrast:
Als je meer van de ene kleur begruikt dan van de andere. (bijv. veel oranje tinten naast veel minder blauw)

Optische kleurmenging:
Verschillende kleurstippen kunnen door het oog gemengd worden tot één kleur.

LICHT

Lichtbron:
Er zijn natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen. De natuurlijke zijn de zon, maan, sterren en bliksemlicht. De kunstmatige zijn lamplicht, vuurlicht (openhaard, kaars, olielamp, aansteker, etc.)

Lichtkleur:
Licht kan verschillende kleuren hebben, bijv. oranjeachtig licht of blauwachtig licht. Het kan dat ook een sfeer weergeven: koud licht, warmlicht, mysterieus licht, enz.
De lichtbron kan fel zijn of zwak, getemperd door een bladerdak of diffuus door de mist of nevel.

Lichtrichting:
Voor de kijker of de kunstenaar kan het licht uit drie richtingen komen:
* tegenlicht (het licht schijnt dan recht in je ogen),
* meelicht (het licht schijnt recht op het voorwerp en de lichtbron staat achter de kijker of tussen de kijker het het verlichte voorwerp) of
* zijlicht ( licht schijnt van links of rechts op het voorwerp, de helft is dan verlicht, de andere helft is schaduw)

Strijklicht:
Bij strijklicht schijnt het licht vlak over het voorwerp. Het strijkt over het oppervlak. Je ziet daardoor heel goed oneffenheden (het reliëf).

Schaduw:
We hebben 2 soorten schaduw: eigenschaduw en slagschaduw.
Eigenschaduw is dat deel van het voorwerp waar geen licht op valt (de schaduwkant). Het is de schaduw op het voorwerp zelf.
Slagschaduw is de schaduw van het voorwerp dat op een ander voorwerp valt (bijv. de schaduw op de grond)

silhouet:
Bij een silhouet zie je alleen de schaduwkant van een voorwerp. De vorm is donker en je ziet weinig of geen tekening.

Glimlichten:
Het licht dat op een glanzend voorwerp valt, kan zo sterk weerkaatst worden dat het een wit vlak wordt en zijn kleur verliest.

Licht-donkercontrast:
Zie kleur.

Clair-obscur:
techniek in de beeldende kunsten, met name in de schilderkunst, de fotografie en de filmkunst, bestaande uit een sterk aangezette contrastwerking tussen licht en donker. Zie ook licht-donkercontrast

VORM

Vorm soorten:
Tweedimensionale vorm of driedimensionale vorm.
Tweedimensionale grondvormen zijn: vierkanten, rechthoeken, driehoeken, cirkels en elipsen.
Driedimensionale grondvormen zijn: cilinders, kubussen, kegels, balken, bollen en piramides

Werkelijkheid:
Een werk is figuratief als het onderwerp herkenbaar is. In non-figuratieve kunst is de werkelijkheid niet meer herkenbaar. Non-figuratieve kunst noemen we abstracte kunst.
Een figuratief werk kan je realistisch weergeven. De voorstelling ziet er dan natuurgetrouw uit.
Maar een figuratief werk kan je ook vervormen. Als je de voorstelling terugbrengt tot simpele grondvormen noemen we het een gestileerd werk. We kunnen het werk ook abstraheren. Als we de vorm zo sterk veranderen dat we het niet meer herkennen en het werk non-figuratief is geworden, is het een abstract werk.

Organische vormen en geometrische vormen:
Organische vormen zijn vormen die je terugvindt in de natuur, natuurlijke vormen. Geometrische vormen zijn strakke wiskundige vormen zoals een bol, cirkel, driehoek en piramide. Als je een organische vorm terugbrengt tot een geometrische vorm noem je dat stileren.

Open en gesloten vormen:
Een open vorm heeft opening of is transparant en een gesloten vorm is massief en dicht.

Symmetrische en asymmetrische vorm:
Een symmetrische vorm kun je in 2 gelijke helften verdelen die elkaars spiegelbeeld zijn.

Regelmatige en onregelmatige vorm:
Een regelmatige vorm is ordelijk, er zijn regels voor bedacht. Bij een onregelmatige vorm zijn geen regels bedacht.

Dynamische en statische vorm:
Een dynamisch vorm oogt bewegelijk. Het hoeft niet te kunnen bewegen maar het geeft de suggestie van beweging. Een statische vorm oogt niet bewegelijk.

Vlakke en ruimtelijke vorm:
Een vlakke vorm heeft weinig tot geen diepte. Een ruimtelijke vorm is eerder doordringend in de ruimte (zie ruimte) of plastisch. Met schaduw en licht breng je plasticiteit in een 2D-werk. De driedimensionale eigenschap van een vorm, de ronding, tastbaarheid, uiterlijke hardheid of reliëfkenmerken, noemen we ook plasticiteit.

Gedetailleerd:
Als de vorm veel details heeft.

Gestroomlijnd:
Door de vorm heeft het weinig luchtweerstand.

Silhouet:
Zie licht.

Restvorm:
De ruimte die om of tussen de vormen

RUIMTE

2D:
Een platte vorm (alleen lengte en breedte) Je kunt bijv. denken aan tekeningen en schilderijen.

3D
Een ruimtelijke vorm. Deze vorm heeft 3 maten (lengte, breedte en hoogte of breedte, hoogte en diepte) Tot driedimensionale vormen behoren bijv. de vrijstaande beelden en reliëfs.

RUIMTE 2D

Atmosferisch perspectief:
Bij een atmosferisch perspectief vervagen de vormen en kleuren als ze verder weg staan.

Nog meer ruimtesuggestie:
* Verder weg worden voorwerpen kleiner.
* Bij overlapping staat het ene voorwerp voor het andere, waardoor het andere verder weg lijkt.
* Bij afsnijding zijn voorwerpen zo groot, zo dichtbij dat ze er niet helemaal oppassen.
* Ook schaduw geeft het gevoel van ruimte: plasticiteit.

Lijnperspectief:
Bij lijnperspectief wordt er met behulp van lijnen die lopen naar één punt op de horizon (vlucht- of verdwijnpunt) ruimte gesuggereerd.

Coulissewerking:
Door voorwerpen in de voorgrond, middenin en in de achtergrond te plaatsen krijg je een sterke ruimtewerking. Groot staat dan voor, klein achter.

Standpunt:
De plek van waaruit je naar het onderwerp kijkt.

Laag standpunt of kikvorsperspectief:
De kijker zit laag bij de grond en ziet daardoor een lage horizon en veel lucht. Hij kijkt tegen de voorwerpen op.

Hoog standpunt of vogelperspectief:
De kijker bevindt zich op een hoge plek (berg, flat, trapje) en ziet een hoge horizon en weinig lucht.

Kader:
De begrenzing van het beeldvlak waarbinnen de voorstelling staat. (Omlijsting)

Scherptediepte:
Wanneer een lens op een bepaald voorwerp scherpgesteld is, zijn ook voorwerpen binnen een bepaalde grens voor en achter het voorwerp aanvaardbaar scherp.

RUIMTE 3D

Vrijstaand beeld:
Een vrijstaand beeld staat los in de ruimte. Je kunt rond het beeld lopen.

Reliëf:
Een reliëf is een beeld dat vastzit aan de achtergrond. Bij een laagreliëf (bijv. een munt) komt het nauwelijks los van de achtergrond. Een hoogreliëf komt duidelijk los (meer dan de helft)

Statisch en dynamisch:
Een dynamisch beeld oogt bewegelijk. Het hoeft niet te kunnen bewegen maar het geeft de suggestie van beweging. Een statisch beeld oogt niet bewegelijk.

Doordringend in de ruimte:
Een beeld die de omringende ruimte in steekt. Denk aan de naar bovengerichte arm van een schaatser.

ruimte en volume:
De ruimte om en tussen een beeld maakt ook onderdeel uit van de ruimte van het beeld. Je kunt het zien als een “doos” om het beeld. De volume is het beeld zelf, dat waar niets anders kan zitten.

COMPOSITIE

Ordening of compositie:
De manier waarop kleur, licht, lijn en vorm  in een werk worden gebruikt. De manier waarop je die gebruikt bepaalt je aandachtspunt en kijkrichting.

Aandachtsplek:
De plek in het kunstwerk dat het meest opvalt. Je kijkt er vaak als eerste en het meeste naar. Er kunnen ook meer aandachtsplekken zijn.

Kijkrichting:
De manier waarop je ogen over het werk gaan. De kunstenaar ordent alles zo, dat hij het kijken van de toeschouwer beïnvloed.

Compositie grondvorm:
De kijkrichting en het aandachtspunt bepalen de vorm van de compositie. Enkele compositiegrondvormen zijn: symmetrische compositie, diagonale compositie, centrale compositie, driehoekscompositie, horizontale compositie en overallcompositie.

LIJN

Contour:
De coutour zijn de lijnen die de begrenzing van een vorm aangeven. Omtreklijn.

Hulplijnen:
Een hulplijn helpt om een schets makkelijker te maken. Een speciale hulplijn is de symmetrieas.

Lijnsoort:
Er zijn veel verschillende lijnen: rechte, gebroken, gebogen en gegolfde lijnen. Die kun je doorgetrokken, onderbroken, dun, dik of afwisselend dun en dik tekenen.

Lijnwerking:
Met de lijnen kun je schetsen en arceren. Een schets is een ontwerptekening die vlot wordt getekend met dunnen lijnen en geen details. Arcering gebruik je om een vlak een toon, textuur of licht en schaduw te geven.

TEXTUUR

Textuur:
De textuur is hoe het oppervlak eruit ziet en voelt: fijn, grof, harig, stekelig, bobbelig, etc.

Stofuitdrukking:
De stofuitdrukking is de nabootsing van een textuur met ander materiaal. Als de stofuitdrukking goed is, is het de kunstenaar gelukt om de textuur met ander materiaal heel realistisch na te bootsen.

Factuur:
De factuur zijn de sporen die gereedschap op een werk achterlaten: penseelstreek, de sporen van een beitel, etc..

GELUID

Vocaal:
Al het geluid en muziek die gemaakt worden met de stem.

Instrumentaal:
Al het geluid en muziek die niet met de stem gemaakt worden, maar met “instrumenten”.

Digitaal:
Als het met behulp van een computer gemaakt wordt.